Smaller Default Larger

​Half geld, dubbel plezier

Begin augustus jubelde makelaarskoepel NVM over een record aan nieuw gebouwde recreatiewoningen. Dat zijn dus tweede woningen (veelal luxe en niet voor een eerste woning onderdoend) voor al dan niet eigen recreatief gebruik op een vakantiepark of losstaand.

Als reden voor de grote populariteit wordt de lage rentestand genoemd: een recreatiewoning is een aaibaar alternatief voor geld dat anders dood ligt. Wellicht deden twee recente uitspraken van de fiscale kamer van de Hoge Raad een extra duit in het zakje.

Onroerende-zaakbelasting
Voor lag de vraag of niet ook een recreatiewoning als woning in de zin van artikel 220a en 220f Gemeentewet kan worden aangemerkt. Deze artikelen regelen de onroerende-zaakbelasting. Is sprake van een woning dan is alleen de OZB-eigenarenbelasting verschuldigd en niet ook de OZB-gebruikersbelasting.

Tot heden was vaste (lagere) rechtspraak dat een gebouw slechts dan tot woning dient als deze in hoofdzaak bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker.

In de zaken waar de Hoge Raad zich nu over boog was sprake van een met een gewone, eerste woning vergelijkbare tweede, recreatiewoning waarvan permanente bewoning op grond van gemeentelijke voorschriften bovendien niet was toegestaan. De Rechtbank oordeelde daarom in eerste aanleg dat de woning dan eenvoudigweg niet voor permanente bewoning bestemd kán zijn.

Vergelijkbaar met gewone woning
De eigenaren gingen in (sprong-)cassatie en stelden dat hun recreatiewoning alle voorzieningen bevat die het feitelijk bestemd en geschikt maken om het gebouw duurzaam te bewonen. Daarmee is de recreatiewoning volstrekt vergelijkbaar met een gewone woning en daaraan doen plaatselijke gemeentevoorschriften die een permanente bewoning verbieden niet af. Zo'n verbod leidt immers niet tot een feitelijke wijziging van de woning.

De Hoge Raad volgde dit en oordeelde in beide zaken dat als een recreatiewoning naar aard en inrichting is bestemd om als woning te dienen deze als woning in de zin van de Gemeentewet moet worden aangemerkt, zelfs ook indien bewoning is verboden (BNB 2017/22 en 23). Gevolg is dat voor dergelijke recreatiewoningen alleen de eigenarenbelasting OZB naar (het lagere) woningtarief is verschuldigd en niet ook de OZB-gebruikersbelasting. Dus: half geld en dubbel plezier!

Ewald van Hal is bestuurslid van NVTB

Agenda

 

   

10 april 2018, start 17:00 uur, 
Perscentrum Nieuwpoort, Den Haag.
          Bekijk de website 
           en schrijf u nu in!  

Nieuwsbrief


 Klik hier voor de laatste NVTB nieuwsbrief.

Meld u hier aan voor de NVTB nieuwsbrief. 

NVTB & LinkedIn

 

De LinkedIn-groep van NVTB telt inmiddels meer dan 700 leden. Bent u al lid van de groep? Denk en discussieer met ons mee over actuele zaken.

U kunt zich hier voor de LinkedIn-groep aanmelden.

 

Column bestuurslid Ewald van Hal

Warmterecht of warmteplicht

Het staat in het Regeerakkoord 2017 - 2021 te lezen: 'De aansluitplicht van gas wordt vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet'. Zo staat het er, maar wordt bedoeld wat er staat?

Toen Nederlands aardgas nog onverdacht gewonnen en verbruikt kon worden was het logisch deze energiebron voor verwarmingdoeleinden te benutten. Transport en levering was een staatstaak. Dat veranderde toen eind jaren negentig werd gekozen voor privatisering. In een vrije energiemarkt, zo werd verwacht, zouden kritische afnemers de beste, goedkoopste en schoonste energie afdwingen. De Gaswet kwam, nutsbedrijven werden privaat en kleine verbruikers kregen keuzevrijheid onder waarborg van een gasvoorziening: netbeheerders dienen iedereen die dat verzoekt te voorzien van een gasaansluiting (art. 10 lid 6 Gaswet). Het gasrecht van de kleinverbruiker werd geborgd door een wettelijke gasplicht voor de netbeheerder.

Lees meer...